Oefenvragen Theorie
Oefenvragen theorie jaartraining
Meerkeuzevragen (omcirkel het juiste antwoord):
1. De opbouw van het menselijk lichaam van klein naar groot is als volgt:
a. cel ------ weefsel ------ orgaan ------ orgaanstelsel ------ totale lichaam
b. orgaan ------ weefsel ------ cel ------ orgaanstelsel ------ totale lichaam
c. cel ------ orgaan ------ weefsel ------ orgaanstelsel ------ totale lichaam
d. weefsel ------ cel ------ orgaanstelsel ------ orgaan ------ totale lichaam
2.Welk vlak staat loodrecht op de sagittale as?
a. het frontale vlak
b. het sagittale vlak
c. het transversale vlak
d. het mediane vlak
3. De enkel bevindt zich …. ten opzichte van de knie
a. distaal
b. inferior
c. caudaal
d. lateraal
4. Welke uitspraak betreft dorsaalflexie van de voet?
a. de voetzool wordt naar dorsaal bewogen
b. de voetrug wordt naar ventraal bewogen
c. de mediale rand van de voet wordt omhoog bewogen
d. de laterale rand van de voet wordt omhoog bewogen
5 Welke uitspraak is juist?
I Synovia is de ‘olie’ van het gewricht
II Synovia zorgt voor schokabsorbtie
a. alleen I is juist
b. alleen II is juist
c. I en II zijn juist
d. I en II zijn onjuist
6. Welke uitspraak is niet juist voor de ademhaling?
a. het diafragma is de belangrijkste ademhalingspier
b. uitademing is een actief proces
c. de musculi intercostalis externi spelen een rol bij de inademing
d. het CO2 gehalte in het bloed zorgt voor de ademhalingsprikkel
7. Welk onderdeel van het bloed kan zuurstof en kooldioxide opnemen?
a. witte bloedcellen
b. rode bloedcellen
c. bloedplaatjes
d. bloedplasma
8. Langs welke structuren komt een erythrocyt als hij van het rechter atrium naar het linker atrium gaat?
a. valvus tricuspidalis en pulmonaalklep
b. valvus tricuspidalis en aortaklep
c. valvus bicuspidalis en pulmonaalklep
d. valvus bicuspidalis en aortaklep
9. Welke bloedvaten verzamelen het bloed uit de grote bloedsomloop zodat het in de
rechterboezem /atrium terechtkomt?
a. de aorta
b. de bovenste en onderste holle aders / venen
c. de slagaders
d. de haarvaten
10. Wat gebeurt er als de sinusknoop van het hart geen signaal meer doorgeeft?
a. dan verhoogt de bloeddruk
b. dan wordt het bloed te snel rondgepompt
c. dan sterft er hartweefsel af
d. een hartstilstand
11. Waar bevindt het lymfevocht zich voordat het in de lymfevaten terecht komt?
a. tussen de cellen
b. in de cellen
c. in het bloed
d. in de longen
12. Welke bewering(en) is /zijn juist?
I bij expiratie wordt de borstholte vergroot
II de rechter long bestaat uit 3 longkwabben
a. alleen I is juist
b. alleen II is juist
c. I en II zijn juist
d. I en II zijn niet juist
13. Wat verstaat men onder het centrale zenuwstelsel?
a. de hersenen en het ruggenmerg
b. de hersenen en zenuwen
c. de perifere zenuwen
d. het efferente zenuwstelsel
14. Welke van de onderstaande antwoorden is een functie van het parasympathische
zenuwstelsel?
a. gespannen spieren
b. stress
c. de ademhaling versnelt
d. de hartfrequentie in rust daalt
15. Welk van de onderstaande antwoorden is geen functie van de huid?
a. reguleren temperatuur
b. afweer tegen microbiële aanvallen
c. vorming van bloedcellen
d. voelen
16. Uit hoeveel botten bestaat het menselijk skelet?
a. zeker 600
b. 320
c. ongeveer 290
d. ruim 200
17. Welke 2 spieren bedekken samen het grootste deel van de rug?
a. de latissimus dorsi en de trapezius = trapeziumvormige spier
b. de latissimus dorsi en de schouderspier = deltoïdeus
c. de trapezius en de biceps
d. de erector spinae en de vierkante lende spier
18. Welke onderstaande spieren behoren tot de hamstrings (kniebuigers, gelegen aan de achterzijde van het bovenbeen)
a. m. gastrocnemius, m. semitendinosus, m. biceps femoris
b. m. semitendinosus, m. semimembranosus, m. quadriceps femoris
c. m. biceps femoris, m. semimembranosus, m. biceps brachii
d. m. biceps femoris, m. semimembranosus, m. semitendinosus
19. De ellepijp / ulna zit aan welke kant van de hand:
a. bij de pink
b. bij de duim
c. bij de handpalm
d. bij de handwortel
20. Geel beenmerg bevindt zich
a. in de kop en de kom van de pijpbeenderen
b. in de onregelmatige beenderen
c. in de platte beenderen
d. in de schacht van de pijpbeenderen
21. Een lendenwervel heeft
a. een groot wervellichaam en een klein wervelgat
b. een klein wervellichaam en een groot wervelgat
c. een klein wervellichaam en een groot doornuitsteeksel
d. een groot wervellichaam en een groot wervelgat
22. De dwarse buikspier ( m. transversus abdominis) is
a. de bovenste meest oppervlakkige buikspier
b. de tweede laag van de buikspieren
c. de derde laag van de buikspieren
d. de onderste meest diepe laag van de buikspieren
23. Een scharniergewricht bevindt zich in het lichaam
a. bij de duim
b. bij de atlas en de draaier
c. bij het spaakbeen en de ellepijp
d. bij de elleboog
24. Skeletspieren zijn
a. dwarsgestreept en willekeurig
b. gladde spieren en willekeurig
c. dwarsgestreept en onwillekeurig
d. gladde spieren en onwillekeurig
25. Welke spier geeft retroflexie ( naar achteren bewegen in de heup) van het been
a. m.iliopsoas
b. m.gluteus maximus
c. m.quadriceps
d. geen van alle
26. Welk hormoon zorgt er voor dat de glucosespiegel in het bloed daalt
a. glycogeen
b. insuline
c. glucagon
d. glucose
27. Welke onderdelen van de tractus digestivus passeren voedingsvezels, die niet verteerd kunnen worden, achtereenvolgens vanuit de maag:
a. jejunum – duodenum – ileum – coecum –rectum –colon
b. duodenum – jejunum – ileum – coecum – colon –rectum
c. duodenum – ileum – jejunum – colon – rectum
d. jejunum – ileum –duodenum – colon – rectum
28. Wat vindt er in de m.biceps brachii ( tweehoofdige armspier) plaats bij het vasthouden ( en stilhouden) van een stevig anatomieboek met gebogen elleboog
a. er vinden geen spiercontracties plaats,de spier is in rust en in balans
b. er vinden statische spiercontracties plaats
c. er vinden dynamische concentrische spiercontracties plaats
d. er vinden dynamische excentrische spiercontracties plaats
29. Geel beenmerg bevindt zich
a. in de kop en de kom van de pijpbeenderen
b. in de onregelmatige beenderen
c. in de platte beenderen
d. in de schacht van de pijpbeenderen
30. De rug bestaat uit
a. 33 wervels waarvan 11 thoracaal (borst)
b. 33 of 34 wervels waarvan 12 thoracaal (borst)
c. 35 wervels waarvan 6 lumbaal (onderrug)
d. 32 wervels waarvan 6 craniaal (hals)
31. Welke van onderstaande beweringen is fout ?
a. kraakbeen bevat meer bloedvaten dan botweefsel
b. kraakbeen wordt gevoed en van vocht voorzien door het gewrichtsvlies
c. botweefsel geneest sneller dan kraakbeen
d. kraakbeen bevat kraakbeenlijm
32. Het uitsteeksel van de rugwervels naar de rug toe (dorsaal) heet
a. dwarsuitsteeksel
b. gewrichtsuitsteeksel
c. doornuitsteeksel
d. uitsteeksel van het wervelgat
33. Een lendenwervel heeft
a. een groot wervellichaam en een klein wervelgat
b. een klein wervellichaam en een groot wervelgat
c. een klein wervellichaam en een groot doornuitsteeksel
d. een groot wervellichaam en een groot wervelgat
34. Een scharniergewricht bevindt zich in het lichaam
a. bij de duim
b. bij de atlas en de draaier
c. bij het spaakbeen en de ellepijp
d. bij de elleboog
35. Endorotatie is een beweging waarbij de hand
a. naar buiten wordt gedraaid
b. naar binnen wordt gedraaid
c. en de gehele arm van het lichaam af bewogen wordt
d. en de gehele arm naar het lichaam toe bewogen wordt
36. Een lordose is een
a. zijwaartse kromming van de ruggenwervels
b. holle kromming van de ruggenwervels
c. bolle kromming van de ruggenwervels
d. een laterale kromming van de ruggenwervels
37. De dwarse buikspier is
a. de bovenste meest oppervlakkige buikspier
b. de tweede laag van de buikspieren
c. de derde laag van de buikspieren
d. de onderste meest diepe laag van de buikspieren
38. Kies het meest juiste antwoord: Een verrekking is een
a. letsel van banden of spieren waarbij de vezels kapot zijn
b. letsel van banden of spieren en moet 48 uur geïmmobiliseerd worden
c. letsel van banden of spieren
d. letsel van botweefsel
39. Een pees
a. verbindt de spier met het bot
b. ondersteunt een gewricht
c. houdt verschillende botstukken samen
d. is weefsel dat in en om de organen ligt
40. Het SI gewricht (Sacro Ileacaal gewricht ) is een
a. rolgewricht
b. eigewricht
c. strafgewricht
d. zadelgewricht
41. De Monnikskapspier is een
a. diepe spier en beweegt het schouderblad naar de wervelkolom
b. diepe spier en heft het schouderblad
c. oppervlakkige spier en fixeert het schouderblad
d. oppervlakkige spier en beweegt het schouderblad naar de wervelkolom
42. De lange rugspier is de antagonist van de
a. ruitvormige spier
b. grote bilspier
c. tussenribspieren
d. rechte buikspier
43. Skeletspieren zijn
a. dwarsgestreept en willekeurig
b. gladde spieren en willekeurig
c. dwarsgestreept en onwillekeurig
d. gladde spieren en onwillekeurig
Open vragen:
1. Noem 2 orgaanstelsels en hun functie.
2. Noem de 3 soorten bloedvaten met hun functie.
1.
2.
3.
3. In welke delen is de m. trapezius onder te verdelen?
4. Welke spier kan je bij een nekschouder massage het makkelijkst pakken / omvatten?
5. Welke kant draait je neus op bij het aanspannen van je linker m. sternocleidomastoïdeus?
6. Geef een voorbeeld van een scharniergewricht
7. Welke bewegingen zijn er mogelijk in het heupgewricht